Internationaal Orgelfestival Haarlem 16 - 30 juli 2016

Het Cavaillé-Collorgel van de Philharmonie Haarlem

 

 

Dispositie van het orgel
Concerten
Contact

 

Sinds de restauratie en ingebruikname in 2006 van het monumentale Cavaillé-Collorgel in de grote zaal van concertgebouw Philharmonie Haarlem, beschikt Haarlem over twee unieke concertorgels in topconditie. Er is overigens nauwelijks een groter contrast mogelijk tussen beide instrumenten. Het barokorgel in de Grote Kerk heeft een geheel ander karakter dan het hoogromantische orgel in de concertzaal – in klank, opbouw en manier van bespelen. Er is wel één belangrijke overeenkomst. Beide orgeltypes zijn in de eerste plaats ontwikkeld om op te improviseren. In de achttiende-eeuwse calvinistische kerkdienst, waarvoor het Müllerorgel werd gebouwd, werd op het orgel niet of nauwelijks begeleid of literatuur gespeeld, maar vooral improviserenderwijs gemusiceerd. Dat gold ook voor de rooms-katholieke mis waarvoor Cavaillé-Coll in de negentiende eeuw zijn beroemde instrumenten bouwde. De taak van de organist bestond vooral uit het, met improvisaties, muzikaal omlijsten van de mis. Het is een toevallige maar gelukkige omstandigheid dat Haarlem, als orgel- en improvisatiestad, kan beschikken over juist déze twee instrumenttypes, en zo in de gelegenheid is haar improvisatietraditie te verbreden en verdiepen.

Het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt
Het Cavaillé-Collorgel in de Philharmonie is niet voor deze zaal gebouwd, en heeft ook nooit in een kathedraal gestaan. Niet dat dat bij de bouw van het orgel uitmaakte: de beroemde Franse orgelbouwer hanteerde een vast stramien voor al zijn orgels, of ze nu bedoeld waren voor een grote kerk, een kleine salon of een huiskamer. Alleen het aantal registers en de intonatie werden aan de ruimte aangepast.
De eerste standplaats van het instrument was Amsterdam. In 1864 opende wethouder, dokter en weldoener Samuel Sarphati het Paleis voor Volksvlijt, om een periode van economische en morele neergang om te buigen tot een tijdperk van “volksgeluk, ontwikkeling en vooruitgang, zegen en voorspoed voor geheel het Vaderland”. Het indrukwekkende complex was gebouwd naar voorbeeld van Crystal Palace in Londen, en stond aan het Frederiksplein, op de plek waar nu De Nederlandsche Bank staat.
Al in 1874 werden er plannen gemaakt om het gebouw op te sieren met een groot concertorgel. Nederlandse bouwers als Adema en de Duitse firma Strobel (deze had juist in de Bakenesserkerk in Haarlem een orgel geplaatst) werden gepasseerd, en op voorspraak van de Franse consul Charles-Marie Philbert kreeg de Franse orgelbouwer Aristide Cavaillé-Coll de opdracht.
Omdat het instrument binnen 9 maanden speelklaar in de zaal moest staan, was het onmogelijk een geheel nieuw orgel te maken. Cavaillé-Coll had in zijn atelier een zogenaamd ‘orgue de tribune’ staan, een demonstratieorgel. Hij besloot dit orgel aan te passen en naar het Paleis in Amsterdam te transporteren. Eind mei arriveerde het in onderdelen per trein in Amsterdam, en op 23 augustus klonken de eerste tonen. De officiële ingebruikname was op 26 oktober 1875. De eerste concerten, gegeven door Alexandre Guilmant, werden zeer enthousiast ontvangen. Het orgel werd aanvankelijk intensief gebruikt, en op 23 maart 1876 werd er, door de speciaal voor het orgel opgerichte “Vereeniging tot Bevordering van de Orgelmuziek”, naar Frans voorbeeld een Nationaal Orgelconcours georganiseerd. Naast het uitvoeren van Bachs Preludium en Fuga in a-moll (BWV 543) werd van de deelnemers een improvisatie verlangd. In 1879 werd Jean-Baptiste de Pauw benoemd tot Paleisorganist, en in de jaren die volgden musiceerden beroemde Parijse organisten als Widor (1886), Vierne (1895) en Saint-Saëns (1897) in het Paleis.

Verplaatsing naar Haarlem
Het tij keerde echter al snel, en in de eerste decennia van de twintigste eeuw raakte het orgel in onbruik. De oorzaak daarvan was dat, vanaf de voltooiing van het Concertgebouw in 1888, van lieverlee het hoofdstedelijke muziekleven zich naar deze concertzaal verplaatste. In 1890, na de verwoestende brand in de Stadsschouwburg, werd het Paleis vooral voor theatervoorstellingen gebruikt, en speelde muziek vrijwel geen rol meer. In 1895 werd het Paleisorkest, en daarmee de functie van Paleisorganist, opgeheven en was het vonnis voor het orgel geveld. In 1915 werd het te koop gezet en werden de eerste plannen gemaakt om het orgel te verplaatsen naar de Gemeentelijke Concertzaal in Haarlem.
Deze zaal was in 1873 gebouwd voor feesten en sportevenementen. Voor de komst van het orgel werd een podium aangelegd, en werd de zaal geschikt gemaakt voor muziekuitvoeringen. In oktober 1924 werd het instrument aldaar in gebruik genomen. Het is overigens net op tijd uit het Amsterdamse Paleis weggehaald: vijf jaar later zou dit gebouw tot op de grond afbranden.

Restauraties
De verplaatsing en de opbouw in de nieuwe zaal in Haarlem hadden het orgel niet ongeschonden gelaten. De al genoemde Nederlandse orgelbouwer Adema had voorgesteld het orgel van, in die tijd gebruikelijke, pneumatische kegelladen te voorzien. Cavaillé-Coll –hij was in 1899 overleden– had dit systeem altijd nadrukkelijk verworpen. Adema meende echter dat dit Duitse systeem de bruikbaarheid van het orgel zou vergroten. Door deze ingreep zijn originele onderdelen als windladen, speel- en registermechaniek, alsmede de originele speeltafel verdwenen. Het resultaat werd niet onverdeeld gunstig ontvangen, maar niet eens vanwege het orgel. Vooral de zaal vond men in akoestisch opzicht ongeschikt voor dit instrument.
In 1939 werd een volgend dieptepunt bereikt, toen de aanleg van het instrument deels werd geëlektrificeerd. De aanleiding hiervoor –de onbetrouwbaarheid van de pneumatische kegelladen– werd met deze restauratie bepaald niet weggenomen. Toch veranderde men niet van inzicht: in 1961 (nota bene het jaar van de restauratie van het Müllerorgel in de Bavokerk door de Deense firma Marcussen!) werd door orgelbouwer Vermeulen uit Weert ook de rest van de tractuur geëlektrificeerd. Verder werd de speeltafel nogmaals vervangen en werden enkele registers naar de smaak van destijds gewijzigd en toegevoegd. De restauratie was niet succesvol: het orgel raakte in de decennia die volgden vrijwel onbespeelbaar.

Uit de as herrezen
In 1980 ontstonden de eerste plannen voor het in de originele staat terugbrengen van het orgel. Pas in 2003 werd de opdracht aan Flentrop Orgelbouw BV verleend. De bij de verschillende ‘restauraties’ verdwenen windladen konden in diverse orgel in Nederland worden teruggevonden. De andere onderdelen, inclusief de speeltafel, werden stijlgetrouw gereconstrueerd.
Bij de laatste restauratie is goed gekeken naar vergelijkbare orgels van Cavaillé-Coll. Zo zijn reizen ondernomen naar de instrumenten in de Franse steden Lisieux, Lyon en Caen en het Britse Warrington. Toch is het Haarlemse orgel voor de bouwtijd uniek te noemen. Het beschikt over maar liefst twee zwelkasten, en het Positif is bóven het Récit geplaatst. Opvallend is ook de specifieke dispositie van deze klavieren. De labiaalregisters van Positif en Récit zijn, afwijkend van de standaard Cavaillé-Coll-dispostie, omgewisseld.
Afgezien van kleine technische problemen door de klimaatbeheersing in de zaal is het instrument momenteel weer in prima conditie. Op 6 februari 2006 werd het feestelijk in gebruik genomen. Het instrument klinkt tijdens het festival tijdens het Improvisatieconcours, maar, anders dan in het Amsterdamse Paleis, zal er nu uitsluitend op worden geïmproviseerd. Zo krijgt het instrument weer de functie waarvoor dit orgeltype in eerste plaats bedoeld is: het improviserend creëren van nieuwe muziek.
Peter Ouwerkerk (2008)

 

 

%s1 / %s2